Noodkreet

“Meldkamer ambulance, waarmee kan ik u helpen?”

“De ambulance is onderweg. Blijft u rustig liggen.”


(een paar minuten later)

“Goedemiddag mevrouw. Mijn naam is Henk, verpleegkundige, en dat is Joop, de chauffeur. Wat scheelt eraan?”

“En het straalt ook uit naar uw armen?”

“Vervelend ja.”

“En wat zou u willen dat wij voor u doen?”

“Dat begrijp ik. Maar zo simpel is dat natuurlijk niet. Heeft u al nagevraagd of iemand in uw omgeving u kan helpen?”

“Kom, kom. Zo makkelijk gaat dat niet. Die buurvrouw die daar om de hoek van de deur staat te gluren bijvoorbeeld ziet eruit alsof ze prima uw pols kan opnemen, als dat het probleem is. En u heeft vast wel familie in de buurt. Dus wat wilt u verder van ons?”

“Een hartfilmpje maken?” (fluistert tegen collega) “Shit Joop, ze vraagt erom. Nu moeten we wel. Dat kan een dure worden.” (hardop tegen patiĆ«nt) “Nou… ehm… daar hebben wij inderdaad een apparaatje voor ja. Hoezo?”

“Waarom wij dat niet eerder hebben gezegd? Wij werken vraaggestuurd. Dat is modern. Daar hebben we duidelijke instructies over gekregen bij de decentralisatie. Het scheelt trouwens een hoop geld ook.”

“Duidelijk. Ik begrijp dat dat voor u frustrerend is. Vervelend. Maar u wilt dus dat wij een hartfilmpje maken?”

“Dat wordt lastig. We hebben het apparaat nog wel ergens in de auto liggen. Maar de elektroden die ervoor nodig zijn, u weet wel, die plakkertjes op uw borstkas, daar zit een budgetplafond op. Ze gaan wat harder dan gepland. En ze worden gemeenschappelijk ingekocht, dus als losse ambulancedienst kunnen wij daar ook niet zoveel aan doen. Over een maandje of twee krijgen we ze misschien weer.”

“Ik kan u niet meer zo goed verstaan. Gaat het wel?”

“Misschien moet u toch die buurvrouw er even bijhalen. Die kan vast wel reanimeren.”

“Hallo? Hoort u mij nog? Hallo!?”

Gelukkig is de ambulancezorg (nog) niet zo ‘getransformeerd’ als de jeugdzorg.