GOUDasfalt voor (kunst)dummies

Post! De gemeenteraad Gouda heeft een brief ontvangen van een kluwen binnenstadstichtingen om GOUDasfalt te steunen. De mensen achter deze stichtingen – weten wij – zijn kunstminnend en lopen warm voor iedere vorm van gesubsidieerd experimenteel mimetheater zonder ingehouden gaapjes van verveling. Laten we GOUDasfalt eens proberen te duiden aan de hand van de favoriete sport van iedere subsidielaaf: kunst kopen. Alternatieven blijken namelijk soms beter, verrassender en noodzakelijker binnen de gestelde beleidsbelangen dan het doordrammen van een persoonlijke hobby. Leest u mee?

Henri Fantin-Latour en Isaac Israëls
U kent de affaire Marlene Dumas nog? Directeur Gerard de Kleijn van Museum Gouda verkocht in 2011 het schilderij ‘The Schoolboys’ via het prestigieuze veilinghuis Christie’s voor bijna een miljoen euro. Hij werd daarbij warm gesteund door cultuurwethouder Daphne Bergman. Reden? Bergman betoogde in de Volkskrant dat het schilderij niets van doen had met Gouda. Prima redenering. Maar: Bergman beloofde dat de focus van het museum zou worden verlegd van algemene moderne kunst naar onderwerpen die betrekking hebben op Gouda. En wat ligt dan meer voor de hand om de bestaande verzamelingen uit te breiden, non? In dat kader kocht het museum recent twee schilderijen die voor de leek net zoveel met Gouda te maken hebben als Bram Moskowicz met de advocatuur: bar weinig. Het gaat om een schilderij van Henri Fantin-Latour (1836-1904) en een van Isaac Israëls (1865-1934) voor een bedrag van circa € 100.000 per stuk.

blommen
Henri Fantin-Latour: “bosje blommen in een vaasje”

allegorie
Isaac Israëls: “allegorie op risicoloos ondernemen met andermans geld”

De relatie tussen beide schilderijen met Gouda is de zogenaamde Arntzenius-collectie. Kunstverzamelaar Pieter Arntzenius schonk bij legaat zijn verzameling negentiende eeuwse schilderijen uit de Franse school van Barbizon en de Haagse school aan het museum. Hierin bevond zich een klein pietepeuterig schilderijtje van Fantin-Latour. Arntzenius vond hem klaarblijkelijk niet zo bijzonder. Maar we weten dat Gerard de Kleijn al van kinds af aan een bewonderaar is van Fantin-Latour, dus koopt het museum toch een schilderij van een tonnetje. Logisch.

Isaac Israëls komt niet uit de Haagse school of die van Barbizon maar is een Amsterdamse impressionist. Niettemin had Arntzenius drie schilderijen in zijn collectie. Dus dan moet een vierde exemplaar worden aangekocht om de collectie uit te breiden. Wat dit precies met de Bergman’s beleidsdoelstelling van ‘meer focus op Gouda’ te maken heeft, is onduidelijk.

Wij hebben geen weloverwogen mening over het aankoopbeleid van het museum, maar de vraag is toch gerechtvaardigd wat het museum nog meer kunnen kopen voor € 200.000? Of beter nog, waarom moet een museum kostbare stukken aankopen en kan tegenwoordig niet worden volstaan met bruikleen? Zeker wanneer men zich realiseert dat het museum grotendeels op subsidie draait?

Andere opties

Paul Arntzenius (1883-1965)
De Godfather van de Arntzenius-collectie in het museum kwijnt weg op Marktplaats met een schilderij ‘Verstild leven’ voor een vraagprijs van € 6.950. We deden navraag en volgens Christie’s Amsterdam is dit een prima werk voor een absoluut koopje.

Johannes Bosboom (1817-1891)
Bij Christie’s werd het schilderij ‘Townspeople near the townhall of Gouda’ van Johannes Bosboom geveild. Bosboom was een voorloper van de Haagse School en is bekend vanwege de meesterlijke wijze waarop hij het impressionistische licht verwerkte. Dat maakt hem tot een van de belangrijkste schilders in dit genre en is onmisbaar in iedere verzameling van de Haagse school. Dat hij het stadhuis van Gouda schilderde, maakt dit tot een topstuk. Veilingprijs Christie’s: € 10.000

Jan Jacob Schenkel (1829-1900)
Bij kunsthandel Simonis en Buunk waar de Fantin Latour vandaan komt, vinden we een belangwekkend schilderij ‘Interieur van de St. Janskerk te Gouda’ van Jan Jacob Schenkel. Schenkel komt voort uit de school van Johannes bosboom en was een exponent van de romantische school (samen met zijn vriend H.W. Mesdag). Kostprijs: € 15.000

Christoffel Pierson (1631-1714)
Bij Christie’s vinden we wederom een interessant object. Op 16 mei 1654 vestigt de kunstschilder Christoffel Pierson (ja, voorvader van de bankboys) zich in Gouda. Vanaf dat moment legt hij een prachtig genre aan van jachttaferelen, -geweren en vogelkooien. Hij was zo getalenteerd, dat velen dachten dat deze voorwerpen echt aan de muur hingen (zgn trompe-l’oeil). Hij was belast met toezicht op en herstel van het gebrandschilderd glas in de St Janskerk. Tussen 1670 en 1680 heeft hij de glazen op schaal nagetekend voor de reparaties van de glazen. De cartonstroken van Dirck en Wouter Crabeth konden zodoende bewaard blijven. Het museum bezit al ‘Een gezicht op Gouda’ en ‘Een gezicht op het kasteel van Gouda’ (circa 1864) maar verder niets. Geen enkele trompe-l’oeil waarmee hij zo beroemd is geworden en dat is een grote lacune in de collectie.
Christie’s veilingprijs: € 52.391

Pieter Pourbus (1523 – 1584)
De uit Gouda afkomstige beroemde schilder Pieter Pourbus is een van de bekendste exponenten van het maniërisme. Het museum bezit reeds enkele werken, dus het begin van een verzameling is aanwezig en de relatie met Gouda is overduidelijk.

Veilingprijs Christie’s: € 38.700,–.

Zorgvuldig boekhouden

Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te vinden bij Christie’s en andere veilinghuizen van veel befaamdere schilders dan Fantin-Latour/Israëls, die bovendien nauw verbonden zijn met Gouda.

Waar het om gaat is dit: als de wethouder een beleid in de Volkskrant uiteenzet (provinciaal museum i.p.v. internationale allure), moet voor iedere burger die beleidslijn duidelijk herkenbaar zijn en blijven. De aankoop van Fantin-Latour en Israëls is flinterdun in deze redenering want we dobberen weer richting een museum met internationale allure. Is dat erg? Niet wat ons betreft, maar het is in strijd met gekozen beleid. En daar gaat het om. Bescheidenheid, terughoudendheid en voorzichtigheid past in tijden van financiële crisis zeker als gemeenschapsgeld daar direct of indirect mee is gemoeid. Zindelijkheid, om het maar eens ouderwets te zeggen. Wellicht kan het museum met minder subsidie toe, wat weer ten goede komt aan de zorg voor zwakkeren in de Goudse samenleving. Want vergeet niet dat Gouda een structurele schuld heeft van driehonderd miljoen euro. Dat betekent een jaarlijkse rentelast van twaalf miljoen euro. Het linkje met GOUDasfalt legt u zelf maar.